SNIJKAMERS. 15 7
héel-gewone behoorend, is stuitend, berust op louter wetenschappelijk bedrog.
Want alweer: zonder overgevoeligheid kan het niemand behagelijk denkbeeld zijn, dat lichaamsdeel van een bloedverwant (man, vrouw, kind etc.} aan een lijk ontstolen bij den een of anderen verzamelenden maniak op spiritus staat en alweer vraag ik u of het een dokter ook maar in de verste verte zou invallen een der gelijken diefstal te plegen aan het lijk van iemand die weer zooveel geld en aisance heeft dat hij zich rustig thuis kan laten verplegen.
Ik heb nog de, misschien zeer verouderde, gedachte, dat er alleen plaats is voor loyale daden en dat een Wetenschap die zich onverbidlijk van alles meester maakt, niét vragend naar wil van individu, niét naar zijn mogelijk sentimenteele (maar dan toch te eerbiedigen) verlangens naar laatste rustplaats op zulk- en zulk een wijze, niét ridderlijk tegenover familieleden die te goeder trouw (niet restant, maar) de laatste overblijfselen komen af halen — dat zulk een wetenschap ontaard is in duister vak van met gevoel spottenden en sympathie verbeurt van allen die niet dwepen met doel-heiligt-de-middelen-theo-rie.
Vooroordeelen berusten soms niet op överdwaze basis. In dit geval zeker niet. De nu nog bestaande wetenschappelijke usances ten opzichte van zoogenaamde „mindere menschen” zijn zoo zonderling, zoo deloyaal, zoo volkomen antipathiek, dat volksvooroordeel tegen snijkamer en gasthuis, meer dan begrijpelijk is. En daarom, geachte heer dokter, blief ik voorloopig ondoordacht over deze dingen te schrijven. Tracht bij ons volk een wet door te drijven dat elk lijk van ieder Nederlander ter Nederland-sche wetenschappelijke mishandeling gesteld worde: men zal u uitlachen.