254
tanden. Ze was van het zinnelijke, wrarme leven, niet denkend, niet suffend, jong. Op straat liep ze coquet, lachte. Als ze de ramen zeemde, dee ze ijdel, lachte.
Jonger, levenslustiger ding was er niet in de heele straat. Ook was ze geëngageerd. Geëngageerd met een korporaal. Geëngageerd in eer en deugd. Om acht uur ’s avonds liep hij op en neer voor de deur — stiekem.
„Juffrouw, mag ik effen bij moeder anloopen?”
„Al wéér uit?”
„Al weer! al weer! Vraag ik dan zoo dikkels?” „Gister ben je uit geweest... Eergister... Vooreer-gister... Dat gaat zoo niet... Je mag niet!”
„Moeder is niet lekker, juffrouw... Ze heit zulke steken in d’r zij.”
„Tc Geloof d’r niks van”...
„Zei ik nou om me moeder liegen ?”
,,’t Is de laatste maal, hoor! Hoe lang blijf je weg?”
,,’t Is nou acht uur.... Om negen uur ben ik thuis.”
„Niet later?”
„Nee geen oogenblik juffrouw!”
Oude, droge vrouwtje hoorde de buitendeur dichtslaan. Door het spionnetje keek ze de meid na in de lange donkere straat. Bij een lantaarnpaal zag ze haar loopen, frisch in de paarse properheid van haar japonnetje. Ze zag ook den korporaal, die met botte stappen naast het meisje ging.
Vrouwtje werd spichtig van kwaadheid. Toen ging ze wat dutten. In de kleine kamer brandde een spiri