248
slofte door de modder, kwam in den kring der vrouwen. Het dikke wijf nam een luisterende houding aan. Het meisje vertelde wat. De vrouwen hokten bijeen, schudden de hoofden, keken naar het pratend kind. Ook de sjofele man kwam beneden, met een pak beddegoed op z’n nek. Hij had zeker op zij geroepen. In eens weken de babbelende vrouwen en wierp hij het pak van z’n schouders op het matras. Dadelijk waren ze om hem. Hij praatte, gesticuleerend, met een betoogende beweging van z’n handen. Het mooie kind stond slaperig te luisteren. De wijven praatten allemaal, met driftige, harde schokking der bovenlijven, hoofden en armen.
Op eens was de aandacht afgeleid, sloop een man met bruine overjas en bruinen fantasiehoed de trap af.
Het dikke wijf, dat zich in ’t begin zoo druk had gemaakt, schoot op hem toe, hield hem tegen, dreigde met haar rooie vuist bij z’n neus. De andere kwamen er bij, redeneerend, schreeuwend, tierend.
„Die krijgt op z’n facie!” zei Peter, philosofisch.
Maar er kwam een agent. De wijven begonnen opnieuw te redeneeren, te schreeuwen. De agent liep kalm heen en weer, soms lachend, soms pratend. De man met de bruine overjas en den bruinen fantasiehoed liep er vandoor. De wijven liepen hem een eindje na, gilden en krijschten.
Boven het lawaai uit kon je door de ruiten heen schelle, doordringende scheldwoorden hooren... „Huis-siesmelleker! Huissiesmelleker!... Vuile afzetter!... Afzetter!! Afzetter!
De vrouwen hokten op een hoopje bij de tafel, de stoelen, het bed, het beddegoed, die op de stoep in