237
pooten gestrekt. De musch tjilpt in de boomen. De kuikens piepen. De blaren dansen in ’t licht.
Wit als een rozeblaadje, fladderend op den wind dommelt de vlinder gratievol van de eene pluim naar de ander. Zij is van een wonderlijke, pure witheid. De vleugeltjes klepperen. Het is niet te zien of zij bewegen of worden bewogen. In het blinkende zonlicht rust ze nu weer. De plant knikt stil en zwijgend. Het is een dunne, slanke plant. Alleen boven één gele pluiming van bloemen. De vlinder wordt gewiegd, als een kindje dat moe is. Een tweede kleppert aan. Ze fladderen heen om elkander, twee witte, blankwitte, doorzichtige lijfjes. Ze zijn als opgewaaide veeren, stijgend, dalend. Ze spelen eea spelletje van teerheid bij de gele bloemen, bij de groene, onrustige blaren. Ze spelen tot dicht bij den grond, wachtend en huppelend in het streelende, warme licht.
Kloek! Kloek!
Petie! Petie!
De kat rekt zich uit, geeuwt met een grooten open bek. Ze richt zich op, kromt lui den rug, geeuwt nog eens, ziet de vlinders, de witte vlinders. Weer sluipt ze, als straks bij de musch, tred voor tred van het grijs sluwe lichaam. Ze kruipt langs de planten, loert, loert met groene, harde oogen.
De eene vlinder twinkelt heen over de schutting. De ander heeft een vleugel gebroken. Ze fladdert zacht op een struik. Maar de kat, speelsch en vlug, springt nog eens. De struik buigt. Een paar blaren vallen af. De vlinder ligt op den grond.
De witte vleugels trillen. De kat snuffelt, gaat er bij liggen, vadsig, weelderig in de zonwarmte. Degroote