230
poste restante. Ja, het was een verdacht briefje. Welke vriend wou me er eens doen inloopen? Wat zouen ze gieren van lachen als ik antwoordde en er serieus op inging. Had ik dit handschrift niet meer gezien?
De aardigheid was er af. En ik antwoordde niet. Dat duurde drie, vier, vijf dagen. Toen in een koffiehuis, zittend met iemand, die de grap zeker niet kon uit gehaald hebben, liet ik het briefje lezen.
„Kerel, je bent gek. — Dat is de brief van een meisje. ”
„Ja, ja. — maar ik maak me niet belachelijk.” „Wacht eens even! Aannemen!”
„Wat ga je doen?”
„Dat zul je zien. — Kelner, het adresboek.”
We snuffelden in het boek en jawel, de naam bestond en nog sterker, er was er maar één.
Den volgenden morgen ging er een briefje poste restante, beleefd, correct. Dienzelfden dag was er een uitvoerig antwoord van negen bladzijden, met aardige, naïve confidenties, eindigend met het verzoek of zij me eens mocht komen opzoeken,
Nu mag ieder me uitlachen, maar met dien brief ben ik een paar dagen gelukkig geweest. Ieder loopt rond met een stumperig vrouwen-ideaaltje. Van liefde is misschien het mooist, dat zij niet gehéél bestaat, dat onze fantasie gaat om een droombeeld, dat onze ijlste verlangens te puur zijn voor een zachte werkelijkheid. Deze paar stukjes papier met meisjes-opge-wondenheid deden alles vrijelijk fantaseeren. Op een Donderdag-middag zou ze komen om vier uur. Het duurde nog twee dagen. Ze heette Antoinette. Luierend in mijn stoel, dacht ik over de kleinste, stilste diminu-