227
lantaarn gaf een raamreflectie op den grond. Witte plakkaten van schetsen aan de wanden waren als vlekken te zien.
Met het hoofd achterover, lusteloos, als een sterk beest, zonder leven, lag hij. Al z’n gedachten waren vaag, doezelig. Maar in de straat gingen een paar meiden voorbij, die zongen van „Daisy Bell” en zoo zonder aanleiding, voor het éérst van zijn gemoedelijke, domme leven begon-ie te huilen. Wat gebeurde ’m nou — Waarom was-ie zoo krankzinnig, — waarom blerde-ie als ’n idioot? — D’r was ’m toch niks gebeurd. — Wat kon ’m die meid schelen, die verdomde bakvisch, dat schaap, dat nest, dat kuiken, die magere gans, dat nuffie, dat toch maar ’n gewoon scharreltje was! . . .
Stilletjes bleef-ie doorhuilen in de rust van de kamer.