223
was in het zware, dompige, harde van zijn kleuren en fantasiën. Ze kochten zijn werk voor prikjes. De vele prikjes maakten z’n burgerbestaan uit. Wat hij verdiende gaf hij uit. Er was geen reden om te sparen. Soms at hij bij Suisse, soms in de gaarkeuken, soms kocht hij een paar eieren. Het was geen nagemaakt vie de bohème, geen artistieke anstellerij: het was zijn gewoon goedhartig normaal leven.
Als zijn vrienden kwamen oploopen, lei hij zijn pen-seelen neer, werd er gebitterd uit gebroken glaasjes en eierdoppen, werd er gewerkt met de gewichten, geschermd met oude sabels. Dan zette hij zijn bril af, den grooten zwaren bril, dien hij gewoonlijk met logge handbewegingen tegen de oogen duwde en stond als een leelijke, sterke, kippige reus. Ze mochten hem allen. Ook de vrouwen. De vrouwen vonden hem leelijk met zijn houtige lichaam, zijn hoekige gezicht. Maar zijn domme goedheid en het „artistieke” dat vrouwen schijnt in te palmen, maakte hem tot veroveraar van de vele modellen, die al zoo kwamen om te poseeren.
Nu was hij dertig jaar. Niets groots, niets heftigs was in zijn leven gebeurd. Het ging aan hem voorbij, zonder dat hij het merkte. Hij leefde het zonder vreugde, zonder bitterheid. Schilderen, vrienden, vrouwen, turnen, alles passeerde zonder schok, zonder gevoel van moeheid, zonder passie. Hij was een gezond, stevig individu, dat schilderde uit onverklaarbare genegenheid. Als hij er in zijn jonge jaren niet toe gekomen was om te schilderen, zou hij timmerman of smid geworden zijn.
Toen hij eens niets verkocht had, kreeg hij ruzie met zijn huisbaas om de huur en „verkaste”. In de