203
„Heb je de deur goed gesloten, Hen?”
„Ja.”
„Op het nachtslot?”
„Nee. Bij ons breken ze niet in.”
„Toe, doe het, Hen. ’t Is hier nog zoo vreemd.”
Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes?. . . Eventjes maar?. . . Nee, Hen zou kwaad worden . . . Nou, maar éventjes . . .
Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwachtig-snel ’n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.
... O God!...
„Wat kijk je daar?... Pop, je bent werkelijk kinderachtig! ”
... „Ze is weer opgekomen! Ze is d’r weer! ’t Is bloed, bloed!”
„Kom, wees nou kalm.”
„Nee, nee, nee! Voor geen goud slaap ik daar.” „Ik ben toch bij je!”
„Voor geen goud!”
,,’k Zal zelf is kijken.”
Hij bukte, keek met de lamp onder het bed.
„Je heb gelijk.”
En zij keken elkander an, zonder spreken, met ’t gevoel dat ze niet meer alleen in de kamer waren.