200
„Wees toch verstandig! Hoe kun je zoo kinderachtig zijn! Probeer eerst of het er niet uit te boenen is.”
„Dat durf ik niet.”
„Geef mij dan maar een emmer met water.”
Ze ging naar de keuken, kwam terug met water, soda, zeep en een borstel.
Hen begon geweldig in de alkoof te schrobben.
„Hier heb je nog wat.”
„Mosterd?”
„O, Hen, da’s prachtig tegen vlekken.”
„Onzin!”
„Gebruik het nou! Toe!”
Een kwartier lang boende hij met soda, zeep en mosterd. Hij zweette er van.
„Nou?”
„Ja ’t is weg.”
„Zie je nou wel dat ’t geen bloed is, dat ’t bangmakerij was?”
„Maar als er nou toch ’n moord... O, wat vind ik ’t hier eng” ...
„Help nou maar uitpakken.”
„Zul je h e u s c h de eerste week ’s avonds niet uitgaan?”
„Nee, heusch niet.”
Ze boende de stoffige alkoofplanken, die Hen een voor een er weer in lei. De beschotten zeemde en zeepte ze af. Hen sjouwde met het groote springveeren matras, dat precies moest passen, omdat hij de maat had genomen met een touwtje, toen hij de woning gezien had.
Het bed zakte nauwkeurig in de opening. Pop maakte het op, terwijl Hen z’n handen waschte in de keuken.