80 VIJFDE KAPITTEL.
nou je de verrukkingen van ’t Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou ’t ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinig en gros te aanschouwen.
„Zie je, Amélie,” zei-die in klare gedragenheid, z’n pink op Holland leggend: „as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thuis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! ’k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in ’n réchte lijn, zonder 'n haperingetje — van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de andere pool.”
„Dat doe jij dan maar alléén,” zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjes: „’k heb van me toer öm ’t huis zat genoeg...
„Dan toer jij in huis,” antwoordde Piet; „je hoeft ook niet overal mee ...
„Dat zit,” zeide mevrouw ordinair: „as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zolderkamers binnen — net als vooreergister — of *k ’t niet