HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL. 181
Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de verheven stemming van den poëet.
Realisme en naturalisme kregen een knauw.
Peddelend-droomend begréép men eerst, dat kunst hooger moet heffen dan aardsche vleuglen gedoogen, en uitblazend op eenlas-tigen telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z’n vroegere verblinding, z'n vroegere genegenheid voor modder-goden en riool-ontleders.
Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.
In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden, Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders op een nuch-teren grond te drukken — a quoi bon? —,) ontstonden verrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te grijpen — om door hoepels te parachuteeren — om in verblindende vaart een appel met een speer te doorsteken.
De zeden werden in zooverre verzacht en ver-teederd dat niemand er meer aan dacht vliegend gedierte te kwellen of te mishandelen.
Wist men niet aan z’n eigen lijf van de gevaren?
Er kwam een „Bond tot bescherming van insecten bij brandende lampen”.