170 TIENDE KAPITTEL.
raamlooze kamers de voorkeur gaven, daar bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondags vliegers de luchten en vensters onveilig maakten.
Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het onhebbelijk, weerzinwekkend dauw-peddelen.
Wel sloten ’s avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de warme dagen werd het op die wijze eene marteling.
Noch voor noch achter had men een vrij zitje.
En dikwerf ’s nachts, als men te rusten lag, rommelden dakpannen omlaag onder de onhandige vóéten van een zwerver.
De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg een nekslag.
Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten öf het verbod van vliegen óf eene revolutie in revolutiebouw.
De architecten hielden buitengewone vergaderingen.
Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.
Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der woningen rasterwerk te stellen.