112 ZEVENDE KAPITTEL.
De bakker.
’t Bad.
Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie naast zijn bord lei.
En als ze dan benejen kwamen — terwijl ze d’r niét waren — dampte de thee genoegelijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte eieren in de dopjes ....
De bakker. ’t Bad. t Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes ....
Even schemerde alles voor Pieter’s rustig-bur-gerlijke oogen-flauw praatte-die na:
. .. .„Ja, om zeven komt de bakker, de bakker”....
„En om half acht de melkboer,” zei mevrouw: in tonigen cadans, alsof ze ’n vers reciteerde.
„O, jee — om acht de kruijenier,” schrikte Amélie.
„En om negen de slager,” hernam mevrouw: „goeie hemel — de slager, ’k Heb ’m gister voor vandaag 7n lamsbout opgegeven”....
„Die zal door ’t luikje moeten — de deur is op ’t nachtslot,” sprak meneer somber.
„En de klokkenmaker — me naaister,” zei mevrouw zoo tragisch dat ’t op de planken g e d a a n zou hebben: me naaister die om acht uur voor de deur staat.... Kan de naaister door ’t luikje ?
„Nee, dié kan ’r niet door,” haperde hij: „die