122 DE EERSTE KLEINE VERSCHRIKKING.
vierkantte puffend tegen de stoelleuning. Z’n zondag-sehe jas, te zwaar aan de schouders gevuld, ovaalde met bladdrende deukjes om 't ingezweet boord. Dan scheen-ie de domheid te hebben begaan, van ’n tabakspruim de laatste sappen te willen genieten, of in z’n zondagsche deftigheid had-ie vergeten ’r uit z’n mond-kelder te verwijderen vóor-ie binnen kwam. Nu, in de war met het te veel elixer, zat-ie met wrange smakjes te slikken en de slangetjes zweet van z’n jukken te vingeren. Overigens dee Baams even diepzinnig als de president der muziekvereeniging. In de wachting bij ’n begrafenis schijnen de meeste lieden in de na-buurschap van wijsgeerige onderwerpen te verdolen. Zoo ze al niet ’n glim van het onzienlijke met de sprieten van hun felste gedachten-werking betasten, nemen ze althans door wangenplooi, wenkbrauwfronsing, lippen-norsching de indrukwekkende pose aan, die bij ’t allerbeste behoort. Zelfs als ze niemendal met ’t geval hebben uit te staan, wanneer ze ’n begrafenis bijwonen met de gewone mensch-vrindlijke bedoeling van ’n kraam-vrouw-bezoek of ’n nieuwe-buur-belangstelling, wanneer ze noch de buitenissigheid van ’n traan, nóch ’t waarachtig leed-medevoelen voor ’t bijzonder geval in voorraad aan-dragen, ver-strengen ze achter neêre gor