LEEG VERHAALTJE. 235
tijl, toegedekt met een geruiten doek. Er kwam nog een stoof, zwart gebrand, met een test. Dan nog een emmer en twee opgerolde vuile gordijnen.
Toen het sterker ging regenen, droeg een der kijkende vrouwen een oud zeil aan en lei ’t op het beddegoed.
Ze dropen langzamerhand allemaal af.
Op straat, op de stoep, in de modder, natgeregend stond het beetje huisraad.
De man liep heen. Het meisje bleef schuilen in den deurpost.
Na een half uur — ’t kan ook langer geweest zijn: Peter was ingedut — kwam de sjofele man terug met een handwagen en een kruier.
Samen leien ze ’t goed in den wagen. Het ging er gemakkelijk op.
Toen gingen de man en het meisje naar boven. Ze kwamen terug met een wieg, een wieg met een warm-ingepakte zuigeling. Tusschen de matten stoelen en de tafel kwam de wieg op den wagen te staan.
De man haalde een papieren zak uit z’n boese-roen, nam een pruim in den mond en stak den zak aan den kruier toe, die zich bediende.
De deur werd dichtgetrokken.
De man en de kruier duwden den handwagen.
Het mooie meisje liep er naast, sloffend in de modder, hield met haar eene hand de wieg vast, die wat schommelde.