MOPJE. 229
„Nee! Nee! Nee!” schreeuwde ik: „we hebben nou geen tijd, we gaan eten!"
Het paard stond lekker te grazen.
„Heb je biefstuk meegebracht?”
Ja.”
„Waar is ze?”
„Hier.”
Lou haalde de biefstuk uit zijn zak. Ze was warm geworden en kleefde an ’t papier.
„Die kunnen we zoo niet eten!”
„Wel zeker. Hou ze maar even onder de leiding. *
„Blijf jij dan bij het paard."
Ik begon de biefstuk te bakken. Wat vet en boter in de omeletpan op het gaskomfoor. Het rook lekker. Pieps en Poel stonden met kromme ruggen en stijvige staarten op de aanrechtbank toe te kijken.
„Hou het paard toch vast!"
„’t Doet geen kwaad, ’t Is een mak beest!"
De merrie stond schuin op de tuintrap en snoof de biefstuklucht op.
„Kischt! Kischt!" riep ik.
„Laat ’m toch gaan!”
Lou dekte de tafel. Pieps en Poel bromden tegen het paard.
Toen kwam het de tuintrap op.
„Kischt! Kischt!"
Het hinnikte.
„Kischt! Kischt!"
Het kwam dichterbij.
„Kom,” schreeuwde ik woedend: „breng je paard de keuken uit, anders vreet-ie de biefstuk op!"
„Laat ’m maar loopen! Cesar! Cesar!"
Lou floot het beest, ’t Bleef naar de biefstukbak-kerij kijken en lekte zich de neusgaten met een lange, bloederige tong.
„Kischt! Kischt! Wil je weg gaan!”