DOLCE FAR N1ENTE. 223
pluimt er boven, drijft er over, fel, schreeuwend. Het perk staat, netjes afgerond, als de vroolijke, kleurige opgewaaide pruik van een boschduivel.
Kloek! Kloek!
Petie! Petie!
Ergens achter een schutting klinkt het pittig, gedempt geluid van kuikens. Ik zie ze in verbeelding, mollig, geel, dribbelend, met gele bekjes, pikkend in den grond.
De boomtakken zwiepen. De blaren stormen driftigjes. Schaduwen en groen én zilverloovertjes.
Een kat sluipt aan over de schutting. Stap voor stap. Fluweelen, zachte tredjes. Nu rekt ze zich uit, inbuigend het rugje — plompt neer van de schutting, verdwijnt in het groen. Monter klinkt het gepiep van de kuikens. De zon schijnt heet, uitmergelend den grond. Het is warm en de wind blaast in de blaren.
Een witte vlinder.
Ze klapklapt dicht bij den grond, bewegend met rukjes. De wind neemt haar op, stuwt het witte lijfje. Maar ze klapklapt naar de gele bloemen boven de groene planten. Ze laat de vleugeltjes rusten, de witte, papieren vleugels, blijft stil op een gelen tros, op een tros van heftig-gele bloemen.
Weer een musch. De musch tript rond op den grond, hip-hip-hip. Telkens een musschenschaduwtje op den grond. De kat uit het groen sluipt zachtjes, pootje voor pootje, het lichaam bijna sleepend over den grond. Maar de musch vliegt weg. De kat ligt lui in ’t zand, de vier pooten gestrekt. De musch tjilpt in de boomen. De kuikens piepen. De blaren dansen in ’t licht.
Wit als een rozeblaadje, fladderend op den wind dommelt de vlinder gratievol van de eene pluim naar de ander. Zij is van een wonderlijke, pure