212 KUNS TENAARS-EMO TIE.
dag was het atelier in orde. Wat vieze doeken tegen de ramen, wat schetsen en wapens aan de wanden, wat oude stoelen en en een stoffige bank, belegd met Smyrnaasch. Voor één gulden in de week bracht de juffrouw van boven hem eiken dag een kop koffie met een dunnetjes belegde boterham. En het beenige, plompe lichaam zat weer voor den ezel met dezelfde gemoedelijke genegenheid om te schilderen.
Klop. Klop.
„Binnen!”
„Moeder is ziek. — Ik kom u de koffie brengen/
Hij keek op van zijn werk.
„Is de juffrouw boven je moeder ?”
Ja.”
„Waar heb je dan al dien tijd hier in huis gezeten, dat ik je nu voor het eerst zie?”
„Nou. — Da’s ook ’n vraag! Ik ga om acht uur de deur uit ’s morgens en kom ’s avonds half negen eerst binnen. ”
„Wat doe je voor den kost?”
„Ik ben op ’n naaiwinkel/
,0/
„Dag mijneer/
„Wat hè-je ’n haast!”
„Dag mijneer.”
Weg was ze.
„Verdikkie wat ’n aardig smoeltje” — dacht-ie, at zijn boterham en werkte door.
Ook den volgenden dag kwam ze.
„De koffie mijneer.”
„Heb je weer zoo’n haast?”
„Moeder is alleen.”
„Mag ik je een zoen geven?”