Hij was een plompe, beenige jongen. Zijn groote neus spaakte op zijn mager gezicht. Een dun vlas-baardje pluimde om de scherpe hoeken van jukbeenderen, spichtig toeloopend naar de kin. Alles was beenig aan hem. De schouders stonden stug, het lichaam was hard, de beenen zwaar en log. Als hij liep waren zijn bewegingen onhandig, ruw als van een jongen hond. In zijn vrijen tijd werkte hij met halters. In een hoek van het atelier lagen ze bij elkaar.
De lust van zijn pootig lichaam was het opheffen, stooten van de gewichten. Hij werd er wakker onder. Hij groeide er in. Als hij rood als een kreeft een moeilijk ding gedaan had, voelde hij zich lekker, floot gemoedelijke deuntjes van het café-chantant, begon weer te werken aan zijn schilderij. Als hij niet schilderde, was hij met de gewichten bezig.
Zoo was hij dertig geworden, goedhartig, dom, sterk, levend het leven van alle mannen én schilderend. Hij schilderde wat men „aardig” noemt. Op alle tentoonstellingen hingen stukjes van hem. De nobele schilderijen-specialiteiten vermeldden hem steeds met „lof.” Het goedhartige, domme, krach