Zondag. De Amstel ligt weken dicht.
Het is koud.
Baanvegers schreeuwen, tentebazen galmen.
„Leg eres an! Leg eres an!"
Het is vinnig koud.
Veel volk is gestroomd bij de ronddraaiende slee. Den zwaren boom duwen de mannen, de slee vliegt met krassend gebrom in het rond. Honderden kijken toe hoe het gaat
Het is gruwelijk koud.
Met d’r voeten op een stoof zit de vrouw van het tentje. Rood-paars is haar gezicht. Een zwarte, oude doek is om het hoofd geslagen. Bij elke ris rijders schokt haar mond open, schreeuwt ze krakend:
— »Leg eres an!... Leg eres an!*
Witte spiralen van damp zijn om haar hoofd.
— „Wat koste de pollekabrokke, seg?” . ..
„Twee omme cent” ...
Twee vuile vingers leggen een cent neer.
Twee vuile vingers grijpen twee kleverige brokken.
Twee vuile vingers stoppen een brok in een groo-ten tabaksmond.