BLOED SPAT. 155
Zij lichtte hem bij met de lamp.
„’t Is erg... Nee, zet asjeblief de lamp neer. U beeft zoo. Gaat u liever zitten.”
„Moet de arm” . ..
„Nee mevrouw.”
„Wat dan, wat dan!”
„Den arm afzetten kan niet meer helpen, had niet kunnen helpen .. . U moet u voorbereiden.”
„Maak me niet krankzinnig dokter!”
„Voor zulk een acuut proces was geen remedie mevrouw” ...
„O God!”
* *
*
Den volgenden morgen was het afgeloopen. Zoo’n paar jonggetrouwde mense!. .. Zoo’n beroerde hond ... Dat heb je d’r van als je van die opvreters in huis neemt.. .
* *
*
Ze had nog niet gehuild. Ze bleef angstig-kalm. Net toen Dirk wat zeggen wou van Richard, begon de hond in de keuken langgerekt te janken. Dirk werd bleek.
„Dat vervloekte beest,” zei-die.
Flauwtjes hoorden de vrouwen hoe hij het dier ranselde.
„’k Heb ’m z’n portie gegeven!”
En hij begon weer te troosten, sprak van den tijd toen Richard en hij samen op school waren geweest. Ida stootte hem onder tafel an. Hij stoorde er zich niet aan. Hij wou dat ze zou huilen, hij kon dat strakke, witte gezicht niet zien. „Kom je bij ons wat logeeren?”
„We zullen eiken dag naar zijn graf gaan.”
Het hielp niets. Ze knikte maar.