De dokter keek ernstig.
„Niet zoo drukken dokter!”
„Doet het hier óók pijn?”
„Ja, de heele arm.. . Hij gloeit verschrikkelijk.” „Wanneer heeft de hond u gebeten?” „Gister-middag. Hij speelde in den tuin. Toen-ie me zag, sprong-ie tegen me op.
„Was hij kwaad?”
„Nee. Uitgelaten. Ik had er eerst niet op gelet. Toen ik begon te schrijven, zag ik een kleine schram aan mijn hand. ’t Beest is nog jong. Hij heeft me dikwijls met zijn scherpe tanden de huid geschaafd.”
„’t Ziet er leelijk uit.”
„Zou hij hondsdolheid” ...
„Wel nee! ... Waar is de hond?”
„In de keuken.”
„Roep hem eens.”
„Hec! Hec!”
„Koest! Niet zoo opspringen!”
„’t Is een jong beest, nog geen zes maanden oud.” „Het dier lijkt volkomen gezond.. . Was hij niet kwaadaardig, weet u het zeker?”
„Zeker, dokter.”