DO ODE. 145
stak d’r voor schande in? Zag je niet dagelijks de groote huizen springen? Lag ’t niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp van de familie? Hadden ze niet voor ’n fatsoenlijk accoordje kunnen zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch positief door den dooie opgelicht die hem nog geen twee maanden geleden een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou „hem” een man van karakter hebben gevonden, als hij had blijven leven. Daartoe was meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.
Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan „hem” verloren hadden, waren kapot van zoo’n geval. Anderen die wat aan „hem” verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een zaak alles moet weten voor je aan ’t ver-oordeelen gaat. Hooggeboorde leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling gemaakt op den naam van den dooie ... Hahaha! .. . Wat? Nou, wat? . .. Nee, mis!... Hahaha!... Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...
De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord van...? Van...? Wat zeg je d’r van ?... Leppend van d’r glaasjes, bij ’t geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over „zijn” privé-leven . .. Wie heeft d’r dubbel-zes? ... Kom praat nou niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d’r weer een. Ze waren ’t allemaal eens. Hoe kon je van opinie verschillen? ’t Was niet
Schetsen Falkland. I. 10