VAN TWEE ONGETROUWDE MEISJES EN EEN HOND, 141
Wies en Mies en sprong met z’n beslijkte pooten tegen Mies’ gespikkeld pakje.
„Ach schatje, wat zie je d’r uit!”
„Kijk ’t kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!”
„ ... ’t Is heelemaal bedorven ... Ja, je bent m ij n schatje ... mijn Habbelebabs ... mijn piep-piefie... Kom nou maar mee an *t kettinkie . . . Nou zullen ze je geen kwaad meer doen .... die vieze leelij-kers!” . . .
Wies en Mies waren ontdaan.
Maar nou zakte ’t weer en wandelden ze verder langs den Amstel, — het slobberig dikkertje, met de paarse pompoenkoonen, 't neusbobbertje, de hak-looze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met ’t paardengebit.
Aan ’t kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.