128 MINTENEE.
„Dood is-ie! Dood!.... Geen woord heeft-iemeer voor ons over gehad! Z’n eigen moeder! Z’n eigen vader! Waarom ben ik niet dood gegaan!" ....
„Ga nou naar het hotel terug, kind.... Het rijtuig wacht.... Je kunt hier niks meer doen. Hier is je mantel" ....
„Nee! Ik ga niet alléén.... Je mot meegaan!"
„Ga vast vooruit. Ik wil alles sluiten — nog 't een en ander regelen.”
„Dat mensch is nog hier.... Je wilt met d’r praten."
„Nee. Ze is weg.”
„Mijn arme jongen! Mijn beste Jan!.... Vergeef ?t me! Ik ben slecht voor je geweest! Ik meende ’t zoo goed.... Mijn lieveling!"
„Doe de alkoof nou dicht. Wat geeft het of je
hem nog langer ziet Zal ik je naar ’t rijtuig
brengen?"
Dicht viel de huisdeur. Het rijtuig ratelde lawaaimakend weg. Op zijn teenen liep hij naar een deur, achter in de gang.
„Juf. . . . frouw”____
Ze opende al.
„Mijn vrouw is weg, juf... frouw" . . .
Zonder te antwoorden, liep ze hem voorbij, de kamer in, naar de alkoof en begon den dooie te zoenen.
„Laat ’m liggen ... wees u bedaard ... juf.. . frouw” ...
Stil lag ze met het hoofd in de kussens.
Ze leek wel dood.
„Ga u liever zitten .. . u mot u niet zoo opwinden ... juf. . . frouw” ...
Ze bewoog niet.
„’t Is toch beter. .. juf.. . frouw... dat u heengaat . .. U kunt toch niet hier blijven. Het huis mot gesloten worden .. . Kan ik u soms helpen ? Hoort u me niet, juffrouw? .. . Juf. .. frouw!” .. .