DE KRANS. 127
„Met plezier — waarom niet.”
Goede confraters bewijzen elkaar gaarne diensten. Dat bevordert de bonne entente.
„Merci,” zei Hein.
* *
*
Zoodat een kwartier later Bokje hotelwaarts ging — het gezelschap speelde in een provincieplaats — met den krans over den arm. Het was lief weer, met regen op komst. Bokje bedoelde inderdaad met bekwamen spoed onder de dekens te kruipen. Om zes uur ’s morgens reisde ’t gezelschap naar een andere plaats. Zeven uur maffen was niet te veel. Er gebeurden evenwel dingen, er overvielen hem aandoeningen, die zijn kunstenaarsziel machtig bewogen. Hij was gepredestineerd dien nacht — zoo niet in de goot, dan toch zuur-aangeschoten te geraken.
Nauwlijks toch bevond hij zich op straat, of een passeerend dienstmeisje stond stil, keek hem na en bewonderde hardop — zulks tegen haar vrijer, wat ik bijkans zou verzuimen te releveeren—: „Sjon-gen wat ’n pracht van ’n krans,” hetgeen dezen vrijer deed zeggen: „Zeker ’n komediant...”
Zelfbewust stapte Bokje voort. Die publieke waar-deering dee je aangenaam aan. Bijna echter sprong z’n hart op, toen bij het licht van een lantaarn, twee heer en omkeken en de een hardop fluisterde:
„Da’s nou Louis Bouwmeester — jè groote acteur ”
Bokje struikelde over een der linten. Dat was machtig. Je rilde er van. Vergeleken te worden met Louis — met Lou-wie.... Plotseling keerde hij terug. Hij had behoefte een glas bier te drinken, een enkel glas en dan naar bed.
Waardig betrad hij het deftigst café. De deur