lijke nabootsing daarvan, heet, om bij ’n kornuit, die in zijn tijd „z’n sporen verdiende/* gelijk de terminologie heet, de kwaadste, venijnigste sappen te trekken?
Het is om bij te huiveren. Het is ’n kleiner soort misdaad. Ze gaan ’r voor zitten, impotent, duf, driest, maar in die richting gnuivend-van-zefcer-genot, om alweer de tendenz~ vlooi na te zetten.
Ziethier nu een door ’n gammele opvoering keurig vermoord drama, waarin 'n katholieke jonge man, na ’n verwoeste jeugd, in de kleine kroeg van z’n vader en moeder, die broodwinning ontvlucht, en door ’n noodlottig toeval als hij na ’n ziekte op bezoek komt, bij 'n gevecht in de Tapperij, om z’n moeder te verdedigen, door ’n schot blind wordt, en daardoor „levenslang” in de hel van 't drankzaakje krijgt.
In z’n blindheid vindt hij troost en daad bij ’t kruis. Zijn kind zal niet in die ellende opgroeien.
Dat is ’t dor geraamte, zonder socialerige tendenz.
En zoo werd ’t werk in 1918 voor Jan Musch in de
mannelijke hoofdfiguur ingezet.
In 1918 verscheen ’n fragment, ’r Werd aan geen propaganda tegen drankmisbruik, aan geen Jubileum gedacht, en dat te minder, omdat wij socialisten ’n eigen weg begaan, om den „drankduivel” bij z’n kladden te krijgen. Met lesjes van af ’t tooneel en traktaatjes plegen we geen grijnzenden draak te doen barsten.
De auteur van „Van Ouds de Morgenster” zag ’n „vink
met uitgestoken oogen”, ’n innerlijk lijder in ’n dwangbuis, schreef als kind-van-z’n tijd van uit z’n zieltje (zie Alinea zooveel hierboven) en dacht....
Maar dat doet ’r niet toe. Wat jij denkt en jij wou, is bijzaak.
Je weet alweer dat je ’n „teleurstellend tendenz-ding” in stille nachten geschreven heb.
En ook dat is per slot van rekening met ’n dosis neo-chris-telijke liefde, wat ulevellen-proza en ’n zakdoek voorden neus, voor de zooveelste maal te vergeven.
12 November 1923,
92