76 TWEEDE BEDRIJF, ACHTSTE TOONEEL
't najaar, als mn vrouw nog 'ns schoonmaakt, mn winkelruit met engros en détail, im- en export, voorbijkuieren, om d'r klandizie aan Jensen te geven, Jensen, die ze stuk voor stuk benejen, versta je me: bènèjen mijn éigen inkoopsprijzen levert! Nee, nee, 'k ben 'r dadelijk — zitten blijven! .... Je zal meerekenen, Naphtalicus! Geen wortel trekking en geen logarythmen: eenvoudige vragen en antwoorden! Neem jij 't iemand kwalijk, als-ie in 'n trein verongelukt? .... Lach daar nou niet bij! Da's toch afgrijselijk! .... Nou?
Napht alie:
. . . .Nee natuurlijk.
Math ij s:
... .En 'n schip dat in storm vergaat. . . .
Napht alie:
. . . .Is overmacht....
Mathijs:
. . . Overmacht juist! Als de bliksem in m’n huis slaat — maar dat doet-ie helaas niet — de bliksem zoekt per se boomen enz., die niemand in den weg staan, en die bij niet één assurantiemaat-schappij verzekerd zijn — als de bliksem in mijn voorraad speelgoed, poppen, klokken, galanterieën enzoovoort — de heele inventaris ken 'k niet van buiten! — huishoudt, is 't opperste overmacht — mijnexplosies zijn force majeure — overstroo-mingen, orkanen, hoozen, aardbevingen — waarom (gebaat naar uitbouw) die geldkolos niet, die tien plagen van Egypte, die Baalpriester, dat laatste oordeel, die veelhoofdige Holofernes! .... Gister — goed zoo: lachen, jongen! — gister las jij de vrouwen met 'n stem die letterlijk in tranen