DERDE BEDRIJF, EERSTE TOONEEL 97
Naphtalie:
Mag ’k je hand vasthouen?
Son j a:
Nee.
Naphtalie:
Nee? Nee? .....
S o n j a:
We waren verstandiger geweest, als we 't niet hadden gedaan. , . .We hebben zoo lang en met zoo'n overleg stommetje gespeeld....
Naphtalie:
Te lang, Son. ... Jij ben m'n bestaan in 't laatste jaar geworden....
S o n j a (voor zich uit starend) :
.... Jij naast vadertje 't mijne....
Naphtalie:
. . . .Laat me ’r nog één, mathematisch afgepast één En dan kom ik in geen jaar terug....
S o n j a (lachend) :
. . . .Beloof je in geen jarèn?
Naphtalie (de vingers opstekend) :
... .In geen jarèn! (pakt haar),
Son ja (lachend):
Noem jij dat een? Wat zullen de kinderen op school van jou goed rekenen leeren, hahaha! En nou zitten! (vroolijk gebiedend) Zitten!
Naphtalie (zittend):
Je vader, Son, is 'n prachtige kerel, heeft altijd gelijk, niet? 't Is zoo’n genot te leven, menschen, lachte-ie vanmorgen daar bij de deur.... Ja, dat is 't. . . .Gebeuren kan ons niks, niks. . . . 'k Ge