Ik ben op visite geweest bij Jolante. Ze zat in haar rijke fauteuil, dronk port, rookte, wiebelde met haar slofjes. De oorlog was niet in de kamer. Voor Jolante bestaat iets niet, wat ze niet erkennen wil. Ook als je haar moeilijkheden van een ander vertelt moet je het erin timmeren, tweemaal, driemaal, dan dringt het tot haar door. Wat er met mij is, ziet ze helemaal niet. Dat ik mijn werk mis, valt haar niet op. Dat ik huishoudster ben, terwijl dat zeer moeilijk voor me is beluistert ze nauwelijks als kennisgeving. Daarom is het opvallend dat ze weet te vertellen, dat ze Eric heeft gesproken op het terras van Américain. Die was volledig in de war omdat ik getrouwd ben met Aart. Je had niet bij hem weg moeten gaan zegt ze, hij houdt nog van je. Hij heeft het mij onmogelijk gemaakt te blijven, zeg ik, dat weet je toch Jolante. Je bent weggegaan, omdat hij impotent is, mokt Jolante. Nee, nee, zeg ik, dat zie je verkeerd, ik ben weggegaan omdat hij als mens volkomen veranderd was, de laatste jaren. Er was geen spoor van vriendschap meer. Ik leefde naast een vijand. Jolante wiebelt met haar muiltje. Zij schenkt mij port in. Ik voel de drank brandend heet door mijn maag flitsen. De maag is verdomd leeg. Er is weinig te eten tegenwoordig. Er wordt iets wakker in de harde ogen van Jolante. Hij schijnt