(Brecht)
Ze zijn dus ons land binnengestroomd, optochten van stoere, enorm mannelijk doende pubers, opgepoetst en opgewreven, gekneed voor hun oorlog. Ze rijden in kleine wagentjes, met spitskanonnen erachter. Ze zitten kaarsrecht, groene jongens met groene helmen, ze zijn trots op dóód, ze hebben ze achtergelaten, hun en onze doden, op de Grebbe-berg en aan de grenzen. Zoiets noemen ze een overwinning, waarop in godsnaam. Ze zitten met zijn allen nu in ons land, bij ons Hollanders, en dat schijnt fijn te zijn, ons smoel is dichtgedreund, dat zal vijf jaar zo blijven. Mijn kinderen zijn veilig op een kostschool, ik sta alleen, zo alleen, als ik niet voor mogelijk had gehouden. Want als ik niet oppas zal ik tot de doden behoren, ik vind dat die tijd nog lang niet is gekomen, zal ik wel ooit vinden, dat die tijd is gekomen; maar nu zeker niet. Ik ben van een ander ras als de groenhoedjes, de groenhoedjes behoren tot een bijzonder, apart ras, iets geweldigs wat je eigenüjk niet voor mogelijk houdt, een ras op zichzelf, waarvan geen tweede bestaat, en bestaan mag, althans volgens hen. En laat ze nou maar in die waan, want als je tegenspreekt, word je een dode. Nou zijn er wel een paar Nederlanders, die vinden dat ze ongelijk hebben, dat de wereld groot is, plaats heeft voor meer dan een mensensoort, want mensen