nanning: (quasie-vroolijk) . . . .’k Ben als 5n avonturier over
de schutting gesprongen.....
jasper: ..... Ja, ja, met 5n afzet van ’t hondehok! nanning: Ik moest en wou 5t weer goedmaken - ’k zou desnoods hebbben ingebroken. . . .
jasper: Heel aardig, heel aardig.....
miep: Excuseer me, vadertje Ik heb meneer niets meer
te zeggen, (af)
VIJFDE TOOMEEL
JASPER NANNING
nanning: Schoonpapa, ik moet beginnen met m’n verontschuldigingen aan te bieden. . . .
jasper: Neem plaats - ja, hier over me, aan m’n schrijfbureau — ’t is Zondag - ik heb vanavond den tijd. . . . En steek de lamp daar ook even op - wil je. . . . Hier staan de lucifers. . . . Zoo. . . . Keurig Nou zien we mekander beter.
Rooken ?
nanning: Als u ’t permiteert neem ’k een van m’n eigen cigaretten.....
jasper: (rustig z^n pijp dampend) .... Dus u is over de schutting gesprongen als ’n avonturier. . . . (Nanning knikt glim-lachend) En u heeft u niet bezeerd ? nanning: Nee, schoonpapa. . . .
jasper: Dat doet me héél veel genoegen, ’t Merkwaardige is, dat, wanneer ik menschen zie springen, ’k altijd m’n hart vasthou. Daar heb je bijvoorbeeld buiten ’t exercitie-terrein van de soldaten - waar ’s winters de ijsbaan is-: telkens als ik er niét militairement voorbij hink, sla ik ’n gat in de lucht, als ’k de jonge rekruten zoo dapper bezig zie met polsstokken, mét aanloop, zonder aanloop, over greppels en meterhooge
91