en je boeltje ben. . . . U ken ’t gelooven of niet, me lieve mensch, ’t ongedierte ruikt ’t of je op vasten tijd ’n dweil met zeep en soda en is wat bleekpoeier gebruikt en of-ie je Zaterdagavond behoorlijk verschoont! Maar hier - ’k lieg ’r geen woord an - loopen de dames - de dames! - al op d’r nuchtere maag in de kale zij - en as ’k ’r zelf niet de hand an hieuw, krioelde ’t van de mee-eters - u begrijpt me wel. . . . Dat zet alleemaal dooie beesten op, dooie vogels, dooie vuiligheid - je mot ’t bij hem is zien! - en dat steekt geen poot uit, om de boel te redderen en stofvrij te maken! Jawelda, as ’k van muizen geweten had, ha’k zoo’n stinkend huis gekocht. . . .
de stem: (verschrikt-aandachiig) Mevrouw, d’r is onraad. . . . D’r klimt iemand over de schutting. ... eef: Bij mijn in de tuin? de stem: ’tjonge mensch - u weet wel. ... eef: Wacht ’r is effen. . . . Daar mot ik bij zijn. . . . Dag juffrouw, ik kom strakkies nog wel terug, as u d’r nog is. . (zij gaat haastig naar de andere kamer, slaat een tip van het tapijt terug, loert door de opening in de vloer)
DERDE TOONEEL
NANNING MIEP EEF boven
miep: (verschrikt) Wie daar?. .. . nanning: (door de tuindeur) .... Ik. miep: Jij?----
nanning: ’k Heb telkens gekeken en geloerd of je alleen was.... Nou treft ’t net....
miep: De entree van ’t huis is anders daar, en ik blief geen bezoek als vader en moeder ’r niet zijn. . . .
83