Herman Heijermans
Van rijn
Wat zegt u?
Pancras
An-An-An-Antoine Palle-Palle-Pallesoe... hebben ze haar papieren ook ingekeken?
Van rijn
Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Mijn bezoek is afgelopen, meneer Duif. Ik weet wat ik als medicus weten moet. Zullen we afspreken dat u deze week als ’t u gelegen komt, bij me aanwipt? (het kaartje van tafel nemend en daarop iets schrijvend) Hier is mijn adres. Mag ik er op rekenen? Ik denk dat - dat in ons aller belang is. Verstaat u me, meneer Duif? Goedemiddag.
Pancras
(staat moeilijk op, opent het sigarenkastje, kijkt de papieren na, zoekend of er geen ontbreekt, bergt ze in z’n binnnenzctk, trekt de voorste linkerdeur open, roept:) Marianne! Marianne! (dan snel, loopt hij naar de achterdeur, zet de hand achter ’t oor, in beluistering van de geluiden beneden, smijt de deur toe, gaat in de leunstoel bij de schouw zitten)
Coba
(verlegen met Jan binnentredend) Dag pa. Hij is er niet, Jan.
JAN
Susjt! Hij is er wel. Dag papa. (een stilte) Dag papa. (een stilte. Coba Zit verlegen aan de tafel) We hebben u gisteravond bij ons verwacht. (Pancras beweegt niet) Papa, hoort u me?
Coba
Papa, Jan praat tegen u. (Pancras draait even ’t hoofd naar hen toe, kijkt ze allebei aan, valt weer in de leunstoel terug)
Coba
(aarzelend en verlegen) God oh God, papa, wat kijk u raar! Jan en ik wilden...
Jan
(aarzelend) Ja, we wilden...
Coba
... We wilden eens met u praten.
Pancras
(zich weer langzaam naar hen toedraaiend) Hoeft niet meer. Dat hebben jullie al laten doen.
102