water. Er lagen er onder den voet die brulden en jammerden Het werd eene worstling van stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man met ’n bloedenden houw, was gillend gevlucht op ’t hooge bordes, bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs ’t baardhaar dat plakte om ?t witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op ’t zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het gebouw. Zij drongen verschrikt achter de ruiten, wassen gelaten in ’t blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bang voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op ’t blauw van de treden, bloed dat murwig verspette in 't regengedrup. De man op ’t bordes, geelbleek in ’t heenschuwend wolk-licht, propte den bloeddoek bij ’t hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig, felgillend gebrul.
Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte met dreun tegen 'n ruit van Golconda, dat het glas beefde en de joden er achter schokten terug — tegelijk keilde een steen door de ruit vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rondbliksmend in ’t donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen, de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten. Maar van het Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde vuisten en braken een ruimte in ’t zwart van de straat. Het volk, opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun, meesleurend al wat er stond, niet-weerhoudbaar, tuimel van vluchtende, angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant, langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd
123