DAGERAAD
TWAALFDE TOONEEL
DE VORIGEN LUKAS later MARJOLEIN
LUKAS (heeft gefolterd geluisterd)
Leeft Anneke niet meer....?
(Adam zit stug neer) . . . .Geef antwoord dan! (Adam wijst met het hoofd naar de slaapstee, Lukas stort er op toe, smakt snikkend neer. Marjolein verschijnt boven aan de trap), BLINDE MARJOLEIN Wie weeklaagt hier?... . Grootva, ben jij er nog? RAKET (angstig)
Het kind — doet net as jij — en z i e t ons niet.... BLINDE MARJOLEIN (angstig)
Klaag jij zoo, grootva — ’k durf de trap niet af.... ADAM
Dat is Lukas, Het kind is dood. Dat 's goed.
Toen hier de Landheer was, deed h ij een eed,
Bij 't leven daar — dat hij zich niet vergistte —
En zij, z'n vrouw, heeft het pas uitgeschreeuwd,
Dat ze zou gé&n met 't kindje op haar arm.
Men doet geen eed en neemt den dood zijn last Niet af, als hij dien zelf meedragen wil....
Lukas, mijn zoon, men wekt geen doode op Met jammerklacht, Z’ is op den ommegang Naar God, den lieven Heer. Ik bid voor haar.
98