90
Eerste Tooneel.
De Dokter. Koos je {in bed A). Juul {op den stoel bij bed B). Geesje {op den stoel bij bed C). Mina {in
bed D). Truitje {in bed E). Leuntje {in bed ï).
Bet je {op den stoel bij bed 2). Aagje {in bed 5).
De Zaalmoeder. Eerste bezoeker {op den stoel bij bed E). Tweede bezoeker {zit met Bet je te praten).
Zaalmoeder {tot den dokter bij het bed van Leuntje, bed ï). Ja, ’t blijft klage en zeure, dokter. Dè.n zeit ze dat 't hier zit, dan daar.
Dokter. Jawel, {voelt Leuntje’s pols). Kun je nou niet is wat minder klagen?
Leuntje {haar hoofd, borst en beenen beduidend). Dan zit 't hier en dan zit 't daar — ’t zit overal — vannacht toe kon ’k me hande niet roere____
Dokter. Jawel, jawel. Maar als je de anderen ’s nachts wakker houdt, moet ik je laten verbed-den naar de Zieken-zaal. Ja, je weet dat ’k gelijk heb. Koorts heb je niet, en fn rhumatiek, die al zóó lang duurt, raak je niet een twee drie kwijt, 'k Zal je nog wat van je drankje voorschrijven.