132
Wat? ... Nou dan?... Je kè-me toch antwoord geven! (Kreunend geklaag.) Huil je? Huil jij, Wiener... Je maakt ’r de andren mee wakker! Hou op, kameraad!
Wiener. Me hersens — me hersens doen ’n krankzinnige pijn...
Had wig. De mijne ook, jongen ... ’k Had óók liever ineene onder ’n klok in ’n af houw gelegen, as ’t zoo langzaam, zoo kwellend-langzaam, af te wachten... Ja !... Veel daglicht in de laatste jaren hè-’kniet gezien, maar ’r zoo zónder, zoo héélemaal zonder te sterven, van de eene nacht in de andere nacht, zonder overgang, hè-’k niet kennen droomen, toe-’k achter me weefstoel zat...
Eerste stem-in-het-donker. Wie het’twel kennen droomen, kameraad, wie? Ik ben in me leven van alles geweest — ’k hè steenen gedragen, om huizen te bouwen — ’k hè balen gesjouwd, om schuiten te lajen
— ’k hè zand gekruid voor de dijken van sporen — ’k ben met me mars door de dorpen gegaan — ’k hè, zonder liegen, altijd zorgen gekend — maar zoo, met zoo’n leege maag en zoo’n gedreun in me kop, zoo ver van de zon uit te stappen, as ’n mol in ’n klem — nee, dat hè-’k niet...
Tweede stem-in-het-donker. Zoo.Ikhè-me doodshemd angetrokken ...
Schulz. As je maar zeit waar je ze vindt, grappenmaker, doen we ’t je na...
Tweede stem-in-het-donker. ’k Hè met me vrije arm me nummer-penning om me nek gebonden, met drie dikke knoopen, dat-ie niet los ken laten... kHè negen-honderd-negen-en-negentig — drie negetjes
— drie staartnommers. — As ze me vinden na weken of maanden, weten ze teminste wie an ’t nommer hangt. Wat nommer hè-jij?
Schulz. Twaalf-zeven-en-veertig.
Tweedestem-in-het-donker. Enjü, Hadwig ?
H a d w i g. Ik ? Vyf-drie-en-twintig.
Tweede stem-in-het-donker. En jij, Spiess ?
S p i e s s. Ik — ik hè vijf jaar lang, vijf jaar, nommer zeven van de derde gaanderij gehad...