En gij zult u verheugen op uw feesten
Rabbi Saul nader treedt en de bezoekers in het Hebreeuws begroet met woorden, die door de Protocollenschrijver aldus worden weergegeven: „Zijt welkom onder ons gesalvden Vorst des Heeren. Wij achten ons gelukkig U schoon aangesicht in’t midden van onse heilige Vergaderplaats te zien. Wij verheugen ons met d’aangenaamheid Uwer tegenwoordigheid en loven Uw schoone koninglijke Ega. Wij hopen U met U door:-lugtig kroost, steeds met vreugde t’aanschouwen en dat Uwe hoogheid en aansien zig meer en meer verheffen. Ik besluyte met de Prophetische segging: Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik sal versadigd worden met Uw beeld als ik zal opwaken!”
Het jaar tevoren had Willem ƒ 18.000,— afgestaan voor de Joodse armen, die er in die jaren bij duizenden woonden op de pleinen en langs grachten en straten van de Jodenhoek. Vooral de vierde Engelse Oorlog had desastreuze gevolgen en het viel niet zo gemakkelijk om in die dagen ongestoord Jomtew te vieren of om het nog technischer te formuleren „Jomtew te maken”. Op 21 april 1780 verklaren Parnassiem, „dat zij 302 zakken tarwe ontvangen hebben aan gebakken ongedeesemd brood of zoogenaamd mazzo en deselve geditribueerd hebben aan 3540 arme huisgezinnen en enkele personen van onze natie”. „Stel”, zo concludeert Hillesum, „elk gezin op 5 mensen (man, vrouw en 3 kinderen), dan had de Hoogd. gemeente 18.000 armen, van de 22.000 Joodsche zielen, die de Amsterdamse gemeente toen telde”.
En toch, zo durf ik het stellen, zal in alle Joodse gezinnen van dat jaar Pesach zijn gevierd en zal de vader van het gezin hebben gezongen: „Ieder, die honger heeft, kome binnen en ete”. En ook zal (enkele weken geleden, zo formuleer ik het maar onhistorisch) Poeriem zijn gevierd. Wel niet zo overdadig als wij zagen bij Rabbi Saul in het verslag van Chagam Azulay, maar toch „Poerem”. Omdat de Joodse normen nog levend waren, omdat er nog vreugde kon heersen, volgens de tradities van een eeuwenoud volk, dat zich „bij elk getij, bij vreugd, en klacht” zijn roeping bewust bleef.
„Gij zult U verheugen op Uw feesten.” Het werd eens, voor alle tijden gezegd; het blijft gezegd, ook nu de monden zijn gesnoerd, de stemmen verstomd en de sjoels verkocht.
76