HET 300-JARIG BESTAAN DER GEMEENTE
1VÏisschien vormt de herdenking van het 300-jarig bestaan der Kehilla in het jaar 1935 wel het officiële slot van de historische ontwikkeling van de Asjkenazische Gemeente. De gebeurtenissen in Duitsland hadden toen al hun schaduwen vooruitgeworpen. Het Verslag van den toestand der Nederlandsch-Israelietische Hoofdsynagoge te Amsterdam over het jaar 1935 (26 Thebet 5695 - 5 Thebet 5696) vermeldt:
„Het jaar, waarover dit verslag loopt, is voor onze gemeente van zeer bijzondere beteekenis geweest; zij mocht daarin toch op zeer plechtige wijze herdenken, dat uit een godsdienstige samenkomst in een schamele stulp op het Nieuwjaarsfeest 5396 = 13 September 1635 gegroeid is deze aanzienlijke gemeente.
Het stemt tot bijzondere verheugenis dat tot ver over ’s lands grenzen onze geloofsbroeders aan hun belangstelling jegens onze gemeente bij de herdenking van haar 300-jarig bestaan uiting hebben gegeven en de ge-eerbiedigde Regeering van dit land, op welks burgerschap wij trotsch zijn, en de hooggeëerde overheid van onze goede stad, aan welke haar Jood-sche gemeenschap zoo innig verbonden is, met zoovele andere van allerlei rang en stand, geloofsrichting en levensbeschouwing, ons haar waardeering op niet dubbelzinnige wijze hebben willen toonen.”
De officiële herdenking had plaats op donderdag, 14 november en geschiedde in een buitengewone zitting van de Kerkeraad, die gevolgd werd door een buitengewone godsdienstoefening ter Grote Synagoge. De regering werd vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Prof. Dr. J. R. Slotemaker de Bruïne en de Minister van Waterstaat, Jhr. Ir. O. C. A. van Lidt de Jeude. Het stadsbestuur verscheen in de persoon van Burgemeester Dr. W. de Ylugt, in wiens gevolg zich niet slechts bevonden de Joodse gemeente-
143