’t Houdt zich dom,
zwijn
En op het dames-wandeluur,
Dan gloeit zijn oog vol heilig vuur — Z]n oog vol heilig vuur.
Gaat dan een oude heer voorbij Of big, wat jong voor buurt Y Y —
Wat jong voor buurt Y Y,
Dan grenst het, lonkt het en heeft schik, En krult den staart een oogenblik,
Maar plots is 't roerloos weer in schijn. . O dat onnoozel zwijn !
O dat zwijn enz.
Maar als bij 't klimmen van de maan, Snel auto’s door de Pijp heen gaan — Snel door de Pjjp heen gaan,
Dan steekt het plots zijn ooren op,
Het staart en heft den spitsen kop — En heft den spitsen kop.
’t Ryst op, wanneer het zingen hoort En zwaait een poot, als 't hem bekoort, En groet wie zijn kollega's zijn :
Dat stiekem, smerig zwijn . . .
O dat zwijn enz,
En als de bleeke dageraad Daar weer voor zolderkamers staat — Voor zolderkamers staat,
Dan houdt het zich als daags te voor, Het oog weer loensch en slap het oor -Weer loensch en slap het oor.
Of t doet een dutje in de zon,
Omdat het 's nachts niet slapen kon,
En 't heeft dan droomen, engelrein.
Dat leuk, onschuldig zwijn . . .
O dat zwijn enz.
151