XXVI.
GESTOORDE DROOM.
Als dichter laat ik nu mijn blikken dralen
Op heuvels, waar het korengeel schakeert
Met dennengroen, ’k Zie om mijn tuin spiralen
Oostïlndische kerssstengels. Daarop teert
Hun vlam, fel rood en geel. En bij het halen
Genoeglijk aan mijn pijpje overheert
Me’ een droom. Die kleuren doen mij dwalen
Naar Indië. Statig naar mij toegekeerd
Staan met hun ondoorgrond’lijk strakke oogen
In de tabakswalm Klingalees, Javaan,
Dajak. Maar word ik langzaam zelf doortogen Van ’t smeulend vuur? Een angst grijpt plots
mij aan.
Als koopman voel k opeens dien droom vervlogen En 'k vraag: Hoe lang blijft daar ons Rijk bestaan?
122