XIII.
DE BRUG BIJ MOERDIJK.
Als vloed uit d’oertijd dringt zich — niet te stuiten — De watermassa naar den Oceaan Diep onder d’ijz’ren bogen, door wier ruiten Rookpluize’ op ijle beenen neder gaan Uit den locomotief. Langzaam bij t fluiten In zijn triomf laat hij den rhytmus slaan Der rad’ren. Zwaar omschuimd doorruischen
schuiten
Het Hollandsch Diep: hier oeverloos hun baan.
Zoo draagt die maat ook mij, poëet, door t leven, Maar deze brug omklemt mij als 't verstand Op ’t vlak, dat ik als Hollands phlegma zag, Wat saam mijn geest — die hoog ze wou ontzweven In een avioen — in eng waggonvak bant En „veilig” (?) waarschuwt ons de witte vlag. *)