ven van 11 September 1910 haalt U dit woordelijk aan en schrijft ten slotte: ‘Nu is mijn voorstel dit: ik zend U Pijpelijntjes terug, U schrijft daaruit een paar tafereelen, die geschikt zijn voor een tijdschrift, over, en stuurt ze mij. Als U mij weinig stuurt, zal ik dit in November of December plaatsen; voor iets groots heb ik gedecideerd geen plaats’. Bij een nader schrijven omlijnt U dit nog duidelijker als U, verwijzend naar de aanteekening van den Heer Thijm zegt: ‘die spreekt van de helft der nieuwe buurtsche tafereelen te plaatsen. Uw copij zal natuurlijk worden gehonoreerd’.
Hierdoor staat vast de opneming in de Nieuwe Gids van deze op Uw verlangen uit het geheele werk door den schrijver uitgezóchte fragmenten van den aangegeven omvang en hunne plaatsing vóór het einde van 1910. Het eerste fragment is dan ook geplaatst, doch bij Uw schrijven van 15 November jl. zendt U de copij terug en weigert verdere plaatsing, omdat Dr. Aletrino dit ‘verboden heeft’. Ik wil nu geenszins treden in eenige beschouwing der verhouding tusschen mijn Client en Dr. Aletrino. Wij hebben alleen te doen met het tijdschrift de Nieuwe Gids en met U als zijn hoofdredacteur. Met de redactie-vergadering als zoodanig of met mederedacteuren op afstand heeft men toch geen rekening te houden. Dr. Aletrino had zijn bezwaren aan U en zijn andere mede-redacteuren tijdig kenbaar moeten maken vóór dat Uwe redactie het stuk aanvaardde. Gij zoudt dan volkomen vrij zijn geweest om persoonlijke reden van een der bestuurders een bijdrage te weigeren. Ook nu nog zoudt Gij het recht hebben de publicatie af te breken, wanneer mijn Client bijv. onder een schuilnaam bij U was binnengedrongen, doch nu Gij in Uwe redactie-vergadering geheel de zaak hebt kunnen beoordeelen, kan de inzender niet weten op welke wijze Gij dat werk Uwer inwendige organisatie hebt geregeld.
Nu is niet alleen door U het stuk aangenomen, maar ook gedeeltelijk geplaatst en daardoor is voortzetting der plaatsing van nog grooter belang voor mijn Client geworden. Men mocht anders eens meenen dat er wonder wat in stond.
Vertrouwende dat na deze uiteenzetting Gij zult erkennen dat Dr. Aletrino met zijn protest te laat is gekomen en de resteerende fragmenten van Pijpelijntjes alsnog ten spoedigste in de Nieuwe Gids behooren te verschijnen, verzoek ik U mij binnen acht dagen na heden te willen mededeelen op welke wijze Gij aan deze verplichting denkt te voldoen, opdat in aller belang de zaak in der minne geregeld kan worden.
Hoogachtend
Uw dw.
w.g. Mr. H. Louis Israëls.
83