mor”. Uit de grove mannenkel'en klonken de schone woorden van de herder-koning: „ledowied boroeg”.
En als ik dit complex van feiten overdenk, dan weet ik, dat ondanks alles — ook deze ondergang — Israël zal blijven leven. In der eeuwigheid.
Volgezogen in een groots verleden. Hopend op een blijde toekomst. En daarin gelovend. Met granieten zekerheid.
Van een gevelsteen — ingemetseld achter de fabriek van De Haan —■ lees ik U de eeuwenoude code voor:
Op Uw hulp hoop ik — Eeuwige.
129