En iets als bet slot van een heel oud klaaglied. Als een gebed, vraag-en-angst ineenen. Verneemt mijn oor in dat stille schreien Alet dien brandenden traan.
Zijn eigenlijke tegenvoeter was Tsjernichowski, wiens voorliefde voor het “heidense" aspect 20 groot bleek, dat hij zelfs propaganda maakte voor de “Kena’aniem”, wier levensbeschouwing — bij uitsluiting van het “volksvreemde” Jodendom — recht wil doen wedervaren aan de voor-Israëlitische cultuur, die der Baaliem en Astartes!
Het Gezicht van de Profeet der Asberab (Ashera = gewijde paal)
dat bij gezien heeft op de dag, dat Eliah en de mannen,
die met hem waren, de priesters van Baal hebben geslacht (1 Koningen,
hoofdst. 18) vierhonderd en vijftig man, bij de beek Kishon.
Doch hij ontkivam naar de vallei van Jizreël. Toen kwam de Geest over hem en hij profeteerde in de vallei:
Getuigen zijt gij mij, ó eenzame Tbabor,
En gij, blauwende hellingen van de Karwei, aan mijn rechterhand.
Gï] bergen van Gilboa, Koningsbergen iKoning Sattl sneuvelde hier),
En gij. heuvel Morèh, hoogste der heuvelen.
Mijn gezicht spreekt van het einde der dagen,
De schoot der grote vallei zal het bewaren En de beekbeddingen langs de helling der heuvels.
Na eeuwen zal de Kinnereth bet kabblend openbaren Eti de bergruggen, van zonnegloed gezegend.
Voor een volk dat zal opstaan is mijn droom bestemd.
Wat Ik beloof, is voor de durvers onder uw zonen.
Zegt niet, gij slachters: "Wij hebben ze geslacht,
Weg zijn de dienaren van Ba.il, uitgeroeid!’
‘'Ziet, ge hebt uw messen stomp gemaakt,
Uiv zuaarden werken onbruikbaar, door het vele slachten.
En Hem hebt ge niet overwonnen, want dat kun! ge niet".
Maar Ashcreb óf Adonai, Hebreeuws was het, de herleefde taal, die verschei-denen inspireerde tot proza en poëzie. Dat de eerste jonge dichtergeneratie van het chaloetsische Palestina voortkwam uit de rijen der Derde Alija ver-
134