DE WEERHAAN
De weerhaan was niet te troosten,
hij wees maar naar het oosten,
al deed hij nog zo erg zijn best
ook eens te wijzen naar noord, zuid of west.
Hij piekerde daar op zijn stang zeker al ze ven j aren lang, maar bleef voortdurend even dom en draaide nooit eens om.
’Ach, wind, ’ vroeg hij ten slotte,
’wat heb ik in mijn botten?’
De wind, die haastig verder moest, zei heel verachtelijk: ’De roest!’
139