De wind kwam onder mijn moeders paraplu en toen stond hij op zijn kop.
Ik vind het jammer dat sprookjes altijd beginnen met: ’Er was eens’. Ik zou er graag een lezen dat nog altijd gebeurt.
De juffrouw tikte op haar schrijfmachine en toen kwam er een brief uit.
Als de Eiffeltoren niet op zulke hoge poten stond, zou hij veel lager zijn.
Ik vroeg mijn oudste broer waarom hij zijn baard zo lang liet groeien. Hij zei dat hij hem gewoon met zijn tijd liet meegaan.
De ramen knipoogden in de ondergaande zon.
Mijn studerende zuster heeft zo’n kleine kamer dat ze haar armen alleen kan uitslaan als zij ze door de muren steekt.
De hardloper ging met rennende haren door de finish.
121