- joods; als substantief: aanduiding van de Jiddisje taal
Jiddisj
Jiddisjkat
Jisroeil
jisjkauch
jodenpaas
Jom Kipoer, verbast.: Jom Kipper jontef
jom toHwem
jontef dik
joodse datum
Kaddisj
kasjeren
keppeltje
kidoesj
kille
Kodesj Borochoe Kol Nidrei, Kol Nidre koosjer
kowed krijn kugel Lajenen Lamed wav
lewaje
Liebelei
loeach
Ma’ariv
makkes
mauchel zijn
mame loshn
- joods-heid
- Israël
- verbast, van jehisjekauch: hartelijk bedankt
- Pesach, feest ter viering van de Exodus uit Egypte
- Grote Verzoendag
- verbast, van jom tov: joodse feestdag
- verbast, van jom touwiem: joodse feestdagen
- feestelijk; klaargemaakt voor het joodse feest
- datum volgens de joodse jaartelling
- gebed voor de dode(n)
- kosjer maken
- hoofdkapje
- zegening over de wijn bij het ingaan van Sjabbat en jom tov
- verbastering van kehilla: gemeente
- De Heilige, gezegend zij Hij
- de avond waarmee Jom Kipoer begint
- voedsel dat is toegestaan en geslacht/ bereid volgens de joodse wet (halacha)
- eer
- mierikswortel (op Seideravond)
- soort gebak
- lezen uit de Torah
- de letters 1 en w; samen hebben zij de getalswaarde 36
- begrafenis
- lieveling
- joodse kalender
- avondgebed
- slaag, slag, plaag, gebrek
- het zal mij een zorg zijn
- Jiddisj