trouwens overal. In Amsterdam heb je Diemen en Muider-berg. Diemen: arm, Muiderberg: rijk. Muiderberg: man en vrouw naast elkaar, Diemen: niet. Althans dat was vroeger zo. Nu niet meer.
Je hebt arme begraafplaatsen en rijke begraafplaatsen. Dus net als bij de niet-joden: klassen. Alleen niet zoveel klassen. Maar om terug te komen op het verhaal, die reizigers begrepen er niets van. Die zeiden: ,,Och, och, wat een baan voor jou.” Ik zeg: ,,Er moet toch begraven worden. En jullie hebben altijd wat te vertellen, maar de dode zegt niets meer. Die is altijd tevreden. Ik heb een klachtenboek, maar daar staat geen draad in. Weet je wie je dood maken? De levenden. De doden doen je niks.”
De oorlog brak uit. Iedereen werd weggehaald, maar Louis-tje niet. Ik kreeg steeds nieuwe papieren, van de Joodse Raad of de Joodse Ver-raad, maar ik zat op Toepad. Veel zelfmoorden zijn er geweest. Veel mensen die er niet meer tegen konden. Ook wel mensen die in de onderduik vermoord zijn en op straat gelegd werden. Of die ziek waren en die stierven en waar men zich geen raad mee wist. Er zijn alle mogelijke dingen gepasseerd. Je moest iedere keer iets nieuws bedenken om die mensen te kunnen begraven. Er is verschrikkelijk veel gebeurd en ik heb daar enorm veel goed werk kunnen doen. Mijn kinderen waren bij mij ondergedoken en talloze anderen heb ik kunnen redden. Daarom geloof ik in wonderen. Toeval bestaat niet, het is allemaal uitgestippeld hoe het zal worden. Ik had het slecht, ik ben van Wisbrun en Lifmann, waar het slecht begon te worden in kleedjes gaan handelen, ben een rijk man geworden, althans zo voelde ik mij, toen van betrekking veranderd, aangenomen uit 250 sollicitanten voor een baan waar iedereen een hekel aan had, heb daar prachtig werk kunnen doen en ben gered met mijn vrouw en al mijn kinderen. Dat noem ik wonderen.